Poepruimer


Op poep trappen doe je buiten. Als klein kind op een willekeurig grasveld waar je met je vrienden ging voetballen. Op het trottoir voor je huis dat toevallig een populaire uitlaatroute is. Of in het bos als je met je eigen hond een rondje drendelt.

Maar niet thuis. Niet in de woonkamer.

Meet Sil, de hond van mijn toekomstig schoonvader. Een kranig, karaktervol beest van veertien. Een Friese stabbij die zijn maatje Tabbo een jaar of tien jaar geleden heeft verloren. Hij houdt vol.

De jaren gaan tellen voor Sil. Hij is lichtelijk doof en zijn linkerachterpoot loopt een stap achter. Hij sleept het achter zich aan alsof het vast zit met elastiek. In een reflex trekt hij elke pas het been weer bij.

Springen zit er niet meer in. Wel kijken, snuffelen, onderzoeken. Al krimpt zijn actieradius per wandeltocht. Soms heeft hij een bevlieging en gaat Sil de hoek om. Maar verder dan honderd meter van zijn thuisbasis komt hij niet meer.

Tenzij hij ontsnapt.

In de zomer had Sil een pad ontdekt door de struiken in de tuin. Alsof zijn oude hondenhart sneller gaat kloppen van opwinding en hij zich weer even jong voelt, stort hij zich op het avontuur.

Toch is niemand boos als het asiel belt en er vijftien euro betaald moet worden voor de opvang. Misschien zijn het de ogen. Een gereïncarneerde Cary Grant in het lichaam van een viervoeter.

Sil kan namelijk goed acteren. Hoe vast hij ook slaapt, als je naar de gang loopt, veert hij op. Hij wil eten, of naar buiten om zijn behoefte te doen. Is hij eindelijk uit huis dan slentert hij over het grind van de oprit, snuffelt aan twee bosjes en hobbelt weer naar binnen. De hondelijke variant van een schwalbe.

De volgende ochtend hangt een poeplucht in de hal. Drie vakkundig gelegde drollen sieren de stenen vloer. Of het laminaat in de woonkamer.

Braaf ruim ik het telkens op. Maar met elke vlaai die ik in de container dump, gaat ook een stukje geduld mee. Sil is niet meer zindelijk. En straks ik niet meer bij zinnen.

Foto: mjk23, Flickr.